27 oktober 2015

Paul Romer (topeconoom): Much ado about nothingness

Nog even herhalen. In een column van Volkskrantjournalist Peter De Waard van 2 oktober jl, las ik “De New Yorkse hoogleraar Paul Romer, grondlegger van de nieuwe groeitheorie, heeft economen mathiness (wiskundegekte) verweten waarmee zaken worden verdoezeld in plaats van verhelderd.” Het begrip mathiness was afgeleid van het begrip truthiness dat zoiets betekent als dingen die men graag als waar wil zien zonder dat ze het zijn. Romer had met zijn mathiness een kleine wervelstorm in de economenwereld veroorzaakt. We weten nu dat het een storm in een glas water is, het gaat nergens over: het is nothingness. Zijn wetenschapsfilosofie deugt niet, want hij wil dat wetenschappers naar consensus streven en niet naar tegenstellingen. Dat is contraproductief, want juist tegenstellingen lokken extra onderzoek uit. In de economie is het bovendien vrijwel onmogelijk de ‘ware’ theorie vast te stellen. Er is geen test denkbaar die de endogene groeitheorie (de theorie die Romer groot heeft gemaakt) definitief zal bevestigen. Dan is er nog de claim van Romer dat de variabelen die academici gebruiken in werkelijkheid waargenomen moet kunnen worden. Helaas, ook al onzin, zoals we lieten zien aan de hand van het begrip kapitaal. De kapitaalgoederenvoorraad kan gemeten worden en we vinden het resultaat daarvan in de nationale rekeningen. De manier waarop kapitaal gemeten wordt is echter gebaseerd op theoretische overwegingen die niet door iedereen wordt gedeeld. Romer wil echter dat het kapitaalbegrip in de theorie gebaseerd moet zijn op waarnemingen. Maar dat is onmogelijk! De waarnemingen zijn er alleen maar (en dus niet tot ieders tevredenheid) omdat de theorie heeft aangegeven hoe ze afgeleid kunnen worden. Kortom, als economische theorie ontwikkeld had moeten worden, door uit te gaan van waarneembare data, was er nooit enige economische theorie tot stand gekomen. 

25 oktober 2015

Diederik Samson (PvdA): Goed voor vluchteling, slecht voor achterban

Waarom was de massa-immigratie in de VS eind 19e eeuw goed voor de welvaart in dat land? Omdat er veel ongebruikt land was dat bewerkt zou kunnen worden door de immigranten. Land was toen nog een belangrijk kapitaalgoed dat in overvloed aanwezig was en (land)arbeiders waren schaars. Immigranten zaten elkaar en de al aanwezige Amerikanen niet in de weg; alleen indianen hadden last van ze. En waarom sloot de VS ergens in de jaren 20 de grenzen? Omdat kapitaal (land) er niet langer in overvloed was en aangezien immigranten zelf geen kapitaal meenemen, zou er een concurrentiestrijd tussen immigranten en de gevestigde Amerikanen kunnen komen. De vluchtelingen die nu op dit moment West Europa overstromen, brengen ook geen kapitaal mee en ook geen vaardigheden waar grote behoefte aan is. Op zijn best nemen ze volop laag of middelbaar geschoolde kennis met zich mee. Daar hebben we al te veel van. Er komt dus een concurrentiestrijd tussen lager en middelbaar geschoolde Nederlanders en asielzoekers. Dat is dan als de asielzoekers zo geïntegreerd zijn dat ze zich snel op de arbeidsmarkt kunnen melden. Anders moeten ze met de inactieve Nederlanders uit de welvaartspot mee-eten. Die pot wordt niet groter. Dus, laag- of middelbaar geschoolde Nederlanders zullen de aanwezigheid van vluchtelingen voelen in de vorm van lagere uitkeringen dan wel lagere lonen. Diezelfde Nederlanders vormen traditiegetrouw de achterban van de PvdA. Sommigen denken dat de PvdA vooral partijleiders kiezen die in staat zijn een rood masker op te zetten. Type Diederik Samson: roepen dat je de zwakkeren in de samenleving wil helpen, maar ze dan in de praktijk in de steek laten. Gisteren een groot interview met Samson in De Volkskrant over vluchtelingen. Het bevestigde het beeld (wordt vervolgd). 

24 oktober 2015

Paul Romer (topeconoom): de taal van de wetenschap zit ook in data, II

Paul Romer vindt dat de symbolen die economische wetenschappers in hun wiskundige afleidingen gebruiken, moeten verwijzen naar zaken die in de praktijk ook waarneembaar zijn. Helaas, wij betoogden dat dat niet (altijd) kan. Neem als voorbeeld het begrip ‘kapitaal’ dat steevast wordt aangeduid met de letter K (dus niet C) in economische papers. Romer gaat er dus vanuit dat K verwijst naar iets dat je in de werkelijkheid kunt waarnemen. Probleempje! Wat kapitaal is, komt niet uit de werkelijkheid, maar economen (en/of filosofen) hebben het verzonnen. En zo als dat gaat met economen, ze zijn het niet met elkaar eens over wat kapitaal is. Toch schrijven ze er dikke boeken over, in onze dagen bijvoorbeeld Thomas Piketty; in de negentiende eeuw Karl Marx. Piketty doet er niet moeilijk over: kapitaal is wat we er over in de statistieken kunnen vinden. Dit uitgangspunt is hem niet door iedereen in dank afgenomen, met name niet door marxisten. Volgens Marx konden ‘kapitalisten’ dankzij het bezit van ‘kapitaal’ arbeiders uitbuiten. Wat dat ‘kapitaal’ dan precies was, deed er eigenlijk niet toe. Het was eigendom dat op een of andere manier macht opleverde. Piketty heeft het heel indirect ook over macht, maar hij baseert zich toch liever op ‘objectieve’ gegevens. Het is daarom misschien wel heel erg ironisch dat Romer ook Piketty van mathiness beschuldigt. Piketty gebruikt in zijn boek namelijk een economisch model (al staat het niet zo duidelijk in zijn beroemde bestseller) en hij formuleert zijn model zo dat hij precies er uit krijgt wat hij wil, namelijk dat het aandeel van kapitaal in het nationaal inkomen vrijwel onbeperkt kan blijven toenemen. Bam: de banvloek van Romer.

23 oktober 2015

Edin Mujagic: ziet overheden die er (nu) niet zijn

Monetair econoom Edin Mujagic slijt op diverse media zijn verhaal dat we te veel overheid hebben en dat dat allemaal de schuld van de economische wetenschap is. Wat het tweede betreft, zie mijn reactie op MJ. Wat het eerste betreft, mocht hij deze week in De Volkskrant zijn verhaal kwijt. Hij denkt dat de centrale banken op verzoek van nationale overheden de rente laag hebben gehouden. Een lage rente betekent immers lagere rentebetalingen op de overheidsschuld en, doordat het dan interessanter wordt om meer te lenen en uit te geven, ook nog eens hogere inflatie. Hogere inflatie “snoept een deel van de schuldenberg van de overheden weg.” Dus, politici kunnen maar geld over de balk blijven smijten, want “geld uitgeven vinden politici leuk, hoe meer hoe beter ook al moet je (daarvoor) geld lenen.” Curieus verhaal, vooral omdat het niet erg spoort met de feiten van nu. Er is in Nederland vrijwel geen politicus te vinden die vindt dat geld lenen door de overheid en het opbouwen van “torenhoge schulden” alleszins verantwoord is, ondanks het feit dat de rente momenteel laag is. Het tekort van de overheid in Nederland is, terwijl de crisis nog niet voorbij is, alweer bijna minder dan 2%. Er is ook nauwelijks inflatie, momenteel een half procent, terwijl in de jaren 60, toen volgens Mujagic de overheden “structureel” geen geld leenden, de inflatie makkelijk boven de 8% uitkwam. Wie naar het Nederlandse overheidsbeleid van de afgelopen jaren kijkt, ziet bovendien voornamelijk bezuinigingen. Het is een keynesiaans cliché, maar in een ouderwetse vraagcrisis zoals we die nu al een aantal jaren meemaken, moet de overheid bestedingen stimuleren en dat doet ze niet. Kortom, Mujagic ziet spoken, in dit geval overheden die er niet zijn. 

22 oktober 2015

Paul Romer (topeconoom): de taal van de wetenschap zit ook in de data

Volgens Paul Romer kan een economische theorie niet ‘goed’ zijn als (naar zijn smaak) de wiskunde niet een duidelijk verband heeft met waarneembare verschijnselen. Romer zelf geeft een voorbeeld van hoe het wel moet. Hij verwijst naar een beroemd artikel van econoom Robert Solow uit 1956 dat de start van de neoklassieke groeitheorie genoemd kan worden. In dat artikel werd voor het eerst een modelmatige beschrijving gegeven van economische groei. Solow maakte gebruik van de abstractie dat een economie goederen en diensten produceert met twee productiefactoren, namelijk arbeid en kapitaal. Wat arbeid is kunnen we ons nog enigszins voorstellen, maar wat kapitaal is, is wat moeilijker voorstelbaar. We laten Romer zelf aan het woord: “Solow beeldde kapitaal af op een variabele in zijn wiskundige vergelijkingen en op gegevens van de nationale rekeningen en objecten zoals machines en gebouwen die men direct zou kunnen waarnemen.” Romer bedoelt te zeggen dat Solow gebruik maakte van een abstracte variabele, namelijk kapitaal, maar kapitaal kun je aflezen uit de nationale rekeningen en je kunt kapitaal ook nog waarnemen. Dus dan ben je, wetenschappelijk, goed bezig, Althans, volgens Romer, maar er zitten hier heel veel adders onder het gras en ik ben zeker niet de eerste die er een paar bij de staart grijpt. Kapitaal kun je waarnemen, zegt Romer. Zeker, machines en gebouwen kun je waarnemen, maar dan weet je nog steeds niet wat kapitaal is. Kapitaal is een abstractie die op een of andere manier verband houdt met materiële zaken die bij de productie gebruikt worden. Het is een hele toer om van al die materiële zaken die in een land aanwezig zijn (bedrijfsauto’s, laptops, machines, kantoormeubilair, etc.) naar een enkele meting van kapitaal voor het hele land te gaan. Probeer maar eens een laptop, een vrachtauto (=2) en een kantoorkruk en een bureau (=2) op te tellen. Het resultaat kan best 5 zijn. (wordt vervolgd)

18 oktober 2015

Edin Mujagic (econoom): gekte over wiskundegekte

Econoom Edin Mujagic heeft ook zijn steentje bijgedragen aan het bespotten van de wiskundegekte in de economie. Hij schrijft: “Carrière maken als wetenschappelijk econoom kan alleen door veel te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Papers zonder een flinke hoeveelheid wiskunde erin worden echter door de redacties zonder aarzeling afgewezen, vaak zonder de moeite te nemen die papers te lezen. Als er geen wiskunde in voorkomt, kan het toch nooit goed zijn (…), is de gedachte.” Tsja, mijn ervaringen bij redacties van wetenschappelijke redacties zijn in het verleden ook niet altijd erg positief geweest, maar ik heb nooit een paper terug gekregen met als reden dat er te weinig wiskunde in stond. Ik ken ook niemand die dat wel is overkomen. Papers worden geweigerd omdat de referees misschien vinden dat er slechte economie in staat, of slechte wiskunde of allebei. Dat je geen toptijdschriften meer inkomt zonder wiskunde is echter aantoonbaar onjuist. Het paper van Paul Romer over mathiness, waar wij het de laatste tijd zo druk mee hebben, is daar een voorbeeld van. Verder schrijft Mujagic dat Adam Smith, de grondlegger van de economische wetenschap met zijn boek Wealth of Nations (1776), nu door “redacties van wetenschappelijke tijdschriften zou worden uitgelachen en geen kans op een aanstelling op een moderne economische faculteit zou maken. Zo ver is de economische wetenschap dus gezakt (…).” Maar luister Edin, Adam Smith is al ruim 200 jaar dood en zal dus niet (delen van) zijn boek naar tijdschriften sturen en als een hedendaags epigoon dat wel zou doen, zou die inderdaad met recht uitgelachen worden. Wat in Smith stond weten we al en de epigoon zou niet uitgelachen worden omdat hij er geen wiskunde bij heeft gedaan, maar omdat hij 240 jaar oude prak als een nieuw recept wil serveren. (wordt vervolgd)

17 oktober 2015

Paul Romer (topeconoom): wetenschap is consensus, II

Paul Romer, de bedenker van de endogene-groeitheorie, wil dat wetenschap tot consensus leidt. Tegenstellingen, dat is iets voor de politiek, schrijft hij. Daar gebruikt men suggestieve of dubbelzinnige woorden om die tegenstellingen tussen partijen te overdrijven. Helaas voor Romer heeft de wetenschap altijd vol gezeten met tegenstellingen. Zo heeft Albert Einstein nooit het onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg omarmd en vond hij de kwantummechanica een theorie die niet een volledige beschrijving van de realiteit kon geven. Dat is dan nog in de natuurkunde, een vak waarbij men mag hopen dat experimenten vroeg of laat de juistheid of de onjuistheid van een hypothese (het Higgsdeeltje) kan aantonen. In de economie zijn dergelijke beslissende experimenten ondenkbaar. Dat geldt zeker in het oorspronkelijke vakgebied van Paul Romer, de endogene-groeitheorie. Volgens Paul Krugman probeert deze theorie wat onmeetbaar is te relateren aan iets anders wat ook al onmeetbaar is. Economen probeerden allerlei ingewikkelde testen te verzinnen, maar, zoals Keynes al zei, dergelijke testen leiden niet tot een algemene conclusie, maar hoogstens tot een conclusie die alleen maar dan en daar geldig kon zijn. Kortom, of en in welke vorm de endogene-groeitheorie waar is, is een zaak van smaak en niet van empirisch bewijs. Het is daarom vreemd dat Romer andere papers op het gebied van de groeitheorie afdoet als voorbeelden van het bedrijven van academische politiek, “waarschijnlijk omdat de desbetreffende wetenschappers het wetenschappelijke debat dreigden te verliezen”. Als een theorie logisch consistent is en intuïtief waar zou kunnen zijn, kan die theorie een plaatsje onder de academisch economische zon krijgen. Want behalve dat nooit overtuigend valt aan te tonen dat een theorie waar zou kunnen zijn, kan er ook nooit aangetoond worden dat een theorie onwaar is. Een economische theorie raakt nooit in diskrediet. Zelfs Ricardiaanse theorieën uit de vroege 19de eeuw worden zo nu en dan van stal gehaald (wordt vervolgd).

14 oktober 2015

Paul Romer (topeconoom): wetenschap is consensus

Zoals we zagen heeft Paul Romer in het toptijdschrift voor economen, de American Economic Review (AER), collega-economen (en zeker niet de eerste de beste) er van beschuldigd papers te schrijven vol onbegrijpelijke wiskunde die als doel hebben een niet-wetenschappelijke boodschap uit te dragen. De reactie van andere evenzeer kritische economen liet niet lang op zich wachten. Noah Smith, bijvoorbeeld, merkte op dat mathiness niet een probleem is van dat handjevol door Romer met name genoemde economen, maar van de hele professie. Daar wil ik nog wel kanttekeningen bij plaatsen, maar wat mij vooral opviel was dat Romer een heel curieuze definitie van wetenschap er op nahoudt. Hij begint zijn verhaal in de AER met de volgende definitie van wetenschap. Wetenschap moet volgens hem tot consensus leiden over theoretische en empirische stellingen die waar zijn. Daarbij is het nodig dat er stevige verbindingen zijn tussen woorden van de gewone taal en symbolen van de formele taal van de wiskunde. Romer zegt dus iets over 1. de ‘taal’ en 2. de definitie van wetenschap. Zowel 1. als 2. zijn misleidend. Wat 2. betreft, waarom zou er consensus in de wetenschap moeten zijn? Fundamentele tegenstellingen in de wetenschap hebben soms eeuwen geduurd. Denk in de natuurkunde bijvoorbeeld aan de golf- (Christiaan Huygens, 17de eeuw) versus de deeltjes- (Isaac Newton, 17de eeuw) interpretatie van licht. Welke van de twee benaderingen ‘waar’ was, bleef eeuwenlang ongewis. In de vorige eeuw kwamen natuurkundigen tot de consensus dat beide interpretaties onder bepaalde omstandigheden waar kunnen zijn. Als het aan Romer zou liggen, had een van de twee benaderingen eeuwen geleden al verketterd moeten worden als mathiness. Hijzelf verkettert papers uit de groeitheorie die niet sporen met zijn 20 jaar geleden geïntroduceerde ‘endogene’ theorie. Met welk recht? (Wordt vervolgd)

12 oktober 2015

Peter de Waard (& Paul Romer): mathiness (wiskundegekte)

We zeiden al dat Peter de Waard iedere dag een column schrijft in De Volkskrant over een economisch onderwerp. Een hele prestatie dus, vooral omdat ondergetekende nog steeds zit na te kauwen op een column van De Waard van 2 oktober jl, terwijl de scribent zelf al weer zo’n 10 columns verder is. De Waard is met andere dingen bezig, terwijl mijn hoofd blijft malen om de volgende zin uit de column van 2 oktober: “De New Yorkse hoogleraar Paul Romer, grondlegger van de nieuwe groeitheorie, heeft economen mathiness (wiskundegekte) verweten waarmee zaken worden verdoezeld in plaats van verhelderd.Mathiness, de term was me ontgaan, maar inderdaad Romer blijkt een kleine wervelstorm te hebben veroorzaakt, die aandacht heeft gekregen in, bijvoorbeeld, de Wall Street Journal, de Financial Times en natuurlijk vele blogs. Het lijkt dus echt om iets te gaan, namelijk om iets onoirbaars: het gebruik van wiskunde in de economie niet om de wetenschap te bevorderen, maar om andere doelen te bereiken, bijvoorbeeld om “groeimodellen met prijsnemersgedrag” te bepleiten. De laatste quote is van de bedenker van het woord mathiness, Paul Romer, zelf in een paper dat zelfs in het internationale toptijdschrift van de economen werd gepubliceerd. Wie ben ik dan nog om te zeggen dat het onzin is? Maar dat is het toch echt en ik ga het proberen uit te leggen, maar misschien gaat het even duren voor we er mee klaar zijn. Dus, om het hier kort te houden, het kernpunt is eenvoudigweg dat zijn definitie van wat wetenschap, en zijn tegendeel wiskundegekte, is niet deugt, en, als die definitie wel zou deugen, je er in ieder geval in de economie niets mee kunt. Of, misschien moeten we zeggen, dat je er alles mee kunt (je kunt dan namelijk iedereen naar believen van wiskundegekte beschuldigen) en daarom dus niets. (Wordt vervolgd) 

10 oktober 2015

Peter de Waard (De Volkskrant): economen als roeptoeters, IV

Door het gebruik van statistiek in de economie wordt de economie een verzameling van case-studies, zei Keynes in 1940 tegen Tinbergen. De algemene geldigheid, of ‘het wetenschappelijke’ gaat daarmee verloren. Nu, 75 jaar later, herhaalt Volkskrant-columnist Peter de Waard dit argument in zijn column van 2 oktober jl. Je kunt met die modellen niet eens een kredietcrises voorspellen, schrijft hij. Nee, natuurlijk niet: als je een kredietcrisis zou kunnen voorspellen, zouden (verstandige) regeringen de crisis kunnen voorkomen. Economische crises zijn er gekomen omdat we ze niet zagen aankomen. En wie weet hoeveel crises er tussen 1945 en 2006 zijn voorkomen door de toepassing van Keynesiaanse beginselen (tot in de jaren 70) en/of door Reaganomics, Thatcheronomics, Blairynomics en Kokkienomics (jaren 80 en 90)? Niemand die het weet, want we kunnen de geschiedenis niet overdoen met ander beleid. Het is jammer dat we de kredietcrisis niet zagen aankomen, maar het is misschien wel erger dat nu iedereen overal crises op de loer ziet liggen. Deze week: De Nederlandsche Bank en het IMF. Te bang om het De-Waard-verwijt te krijgen dat je de crisis weer niet zag aankomen. De columnist schrijft: “Dat betekent niet dat vrij baan moet worden gemaakt voor roeptoeters en dilettanten.” Maar iedere econoom lijkt nu te roeptoeteren dat er weer een crisis aankomt. Soms verlang ik weer naar de tijd (rond 2000) dat economen ‘voorspelden’ dat er nooit meer een crisis zou komen. Zo dacht Cees Koedijk in 2000 dat de pensioenfondsen ‘vermogensoverschotten’ hadden, die wel uitgedeeld konden worden; en ook rond 2000: Luc Soete “en tal van collega-economen spreken over de komst van een nieuwe economie die niet meer wordt geplaagd door inflatie, laagconjunctuur, recessie en werkloosheid”. Roeptoeters en dilettanten, maar heerlijk zorgeloos.

09 oktober 2015

Peter de Waard (De Volkskrant): economen als roeptoeters, III

Door het gebruik van wiskunde is de economie niet exacter geworden, zo meldden wij, als reactie op Peter de Waard, wel preciezer en we kunnen nu de theorie van de ‘Verelendung’ van arbeiders (Marx en Ricardo) in één A-4tje opschrijven. Dat scheelt een hoop schrijf- en leeswerk. De Waard denkt dat aan het eind van de 19de eeuw naast wiskunde ook statistiek meer en meer werd toegepast in de economie. Dat lijkt me toch te vroeg. Rond 1890 werd de wet van Pareto geïntroduceerd (uiteraard door Pareto zelf) die er in feite op neerkwam dat een groot deel van het vermogen in de handen was van een klein deel van de bevolking. Dat was een statistische beschrijving die vandaag de dag nog steeds redelijk actueel is (zie Piketty). Rond dezelfde tijd werd ook het gebruik van indexcijfers populair. Maar ook dat was een beschrijvende exercitie. De eerste poging om via statistiek van de economie een exacte (inderdaad!) wetenschap te maken dateert uit de jaren 1930 en de aartsvader was niemand minder dan onze eigen Jan Tinbergen (1903-1994). Toen ik jong was, was hij voor mij een held, maar eigenlijk was hij ook een schurk. De Waard was niet de eerste die zei dat statistiek de economische wetenschap niet vooruit hielp. John Maynard Keynes moest in ieder geval weinig hebben van het gebruik van statistiek in de economie zoals Tinbergen dat toepaste. In plaats van een ‘ware’ theorie van een kwantitatieve invulling te voorzien, leidt statistiek de theorie juist weg van zijn algemene geldigheid. Je bent dan een ‘case’ aan het uitwerken, die alleen maar op één plaats en één periode geldig is. Geen wiskunde en geen statistiek in de economie: is er daarmee ruim baan voor roeptoeters en dilettanten in de economie? Nee hoor, zegt De Waard. (wordt vervolgd)  

06 oktober 2015

Peter de Waard (De Volkskrant): Economen als roeptoeters, II

Dankzij de marginale revolutie in de economie begrijpen we beter waarom diamanten duur zijn en waarom water goedkoop is. Peter de Waard denkt echter dat de marginale revolutie een poging was om van de economie een exacte wetenschap te maken door het gebruik van wiskunde en statistiek. Het is waar dat door gebruik te maken van begrippen als marginaal nut of marginaal product het veel makkelijker is geworden om wiskunde te gebruiken. Marginaal nut is de wiskundige afgeleide van het nut en het marginaal product is de afgeleide van de productiefunctie. Als je als econoom kunt differentiëren, kun je economische redeneringen daarom ook veel beter onderbouwen dan bijvoorbeeld de klassieke econoom David Ricardo (1772-1823) dat kon. Ricardo toonde met veel omhaal van woorden aan dat de werkende klasse gedoemd is op het minimumniveau te blijven leven. Dankzij de marginale revolutie kun je deze stelling op één A4-tje aan eerstejaars economiestudenten uitleggen en direct laten zien waarom de stelling niet klopt (Ricardo hield geen rekening met technische vooruitgang). Ook het academische leven van Karl Marx zou zo veel makkelijker geweest zijn als hij de marginale revolutie had meegemaakt. Zijn magnum opus had een stuk korter kunnen zijn en wellicht ook een stuk leesbaarder (zie Piketty). Kortom, de marginale revolutie in de economie zorgde er voor dat veel inzichten die al lang bestonden op hun plaats vielen en inderdaad met wiskunde korter en krachtiger geformuleerd konden worden. Daarmee werd de economie geen exacte wetenschap. Economie was en bleef een vorm van toegepaste logica: je begon met aannames, je ging daarna redeneren over mogelijk gedrag en je trok tenslotte een conclusie. Dat deden de klassieken en dat doen nog steeds de neoklassieken. Maar erg exact is dat niet, want zoals wij weten kun je met de (neo)klassieke economie heel veel kanten op (wordt vervolgd). 

05 oktober 2015

Peter de Waard (De Volkskrant): Economen als roeptoeters, I

Peter de Waard schrijft iedere dag een column in De Volkskrant over een economisch onderwerp. Een hele prestatie, vooral ook omdat hij daarnaast nog in dezelfde krant over economisch nieuws schrijft. Een zeer productieve journalist dus, met de nodige kritiek op de wetenschappelijke economie-beoefening. Zo schreef hij op 2 oktober jl: “Sinds het einde van de 19de eeuw is getracht van de economie een exacte wetenschap te maken met behulp van wiskunde en statistiek. Maar die modellen deugen niet.” Ja, die modellen zijn natuurlijk de modellen van de ‘marginale revolutie’ in de economie. Tegen het eind van de 19de eeuw begonnen economen een onderscheid te maken tussen totaal nut en marginaal nut. Het marginaal nut van bijvoorbeeld een brood is de extra bevrediging die je krijgt van een extra brood. De hoogte van dat marginale nut hangt af van hoeveel je broden je al hebt. Als je al 20 broden in de kast hebt liggen, zal het marginale nut van een extra brood niet erg groot zijn, maar als dat extra brood je eerste brood is, zal je er erg blij mee zijn: het marginale nut van dat brood is hoog. Als het marginale nut van dat brood hoog is, zal je er ook meer voor willen betalen dan als het marginaal nut laag is. Bij 20 broden in de kast geef je geen cent voor nog meer brood dat je waarschijnlijk toch moet weggooien. En inderdaad, je kunt met wat simpele redeneringen laten zien dat de prijs van een goed bepaald wordt door het marginale nut. Daardoor begrijpen we nu dat diamanten veel duurder zijn dan flesjes water, terwijl we best wel zonder diamanten maar niet zonder water zouden kunnen. Dat inzicht heeft niet zo veel met exacte wetenschap te maken (wordt vervolgd).

02 oktober 2015

Maaike Kroon (wetenschapstalent 2015): begraaft zich graag in woestijn, II en slot

Wij meldden dat topwetenschapper Maaike Kroon Nederland gaat verlaten en wij dachten dat ze zou afreizen naar de VS, nog steeds het walhalla van de wetenschap met veel prestigieuze universiteiten vol Nobelprijs-winnaars en heel veel geld. Maar Maaike gaat helemaal niet naar de VS; ze gaat naar het Petroleum Institute. Naar wat? Jazeker, het Petroleum Institute! Het is een academische instelling in de Verenigde Arabische Emiraten, die nauwelijks tien jaar bestaat en internationaal 0,0 aanzien bezit. Ongetwijfeld zullen er heel veel oliedollars ronddrijven in het Petroleum Institute, maar waarom ze graag in de academische woestijn wil zitten, mag ze zelf vertellen. Kroon zegt: “Daarnaast zijn er hier voor hoogleraren weinig vooruitzichten op een hogere functie. Je komt er gewoon niet meer tussen! Als ik hier zou blijven, zou ik over vijf jaar dezelfde functie bekleden, denk ik. Door de stap naar Abu Dhabi gaat mijn carrière wat sneller.” Helaas, we begrijpen haar niet. Als je in Nederland hoogleraar bent, kun je niet hoger in de academische wereld. In de VS ook niet, overigens, als je op een topuniversiteit zit. Je bent een koning in je eigen kleine wereldrijkje. Inderdaad, hoe hoger je budget, des te groter je wereldrijk, maar ik neem aan dat toptalent Kroon niet mag klagen over het budget dat de TU Eindhoven haar geschonken heeft. Over welke functie heeft ze het dan als ze zegt dat dat ze er gewoon niet meer tussen kan komen? Wil ze soms bestuurder worden? Bestuurder zijn in de academische wereld levert vaak een hoger salaris op dan wetenschapper zijn, maar direct is ook alle intellectuele uitdaging verdwenen. Je mag je leven slijten in een vergadercircuit. Je kunt bijvoorbeeld collaboratie plegen met zulke runderen als politicus Halbe Zijlstra. Als dat haar ambitie is, hoeft ze echt niet eerst de academische woestijn in. Hoe dan ook, wij begrijpen niet wat toptalent Maaike Kroon bezielt door zich in de Arabische woestijn te begraven.

01 oktober 2015

Maaike Kroon (wetenschapstalent 2015): begraaft zich graag in woestijn, I

Deze week een bericht in de krant over de jonge (34) topwetenschapper Maaike Kroon. Zij gaat Nederland verlaten en het zou wel eens het begin kunnen zijn van “een uittocht van knappe koppen.” De wetenschappelijke wereld maakt zich daarom zorgen en pleit voor versoepe-ling van de balkenende-norm voor “uitzonderlijke toppers”. Het betalen van hogere salarissen voor academische toppers raakte in mijn omgeving ook enige tijd in zwang. Toen bleek dat er hier opeens wel heel veel uitzonderlijke toppers actief waren zonder dat ik dit ooit door had gehad. Niet doen dus, zou ik zeggen, die supersalarissen. Als de toppers een jaarsalaris van tussen 1,5 en 2 ton niet genoeg vinden, dan gaan ze maar ergens anders heen. Het is wel waar dat er in Nederland een volledig contraproductief circus is opgericht voor de verdeling van onderzoekgeld. Je moet daarvoor concurreren met je collega’s elders in het land waarvan het moeilijk (zo niet onmogelijk) is uit te maken of zij nu beter zijn dan jij. Er gaat veel tijd verloren aan het schrijven van onderzoekvoorstellen, waarvan het onderzoek, zelfs als het in de prijzen valt, vaak toch niet wordt uitgevoerd. Maar los daarvan, heb je als hoogleraar in Nederland zo veel vrijheid om je eigen onderzoek in te richten, dat je eigenlijk alleen weg zou moeten willen als een topuniversiteit in de VS je een aanbod doet. Dan heb je in één klap alles: een hoog salaris, een ruim onderzoekbudget en briljante knappe koppen in je omgeving. Dus, Maaike gaat naar de VS, dacht ik toen ik over haar vertrek las, naar de Ivy League, maar dit bleek onjuist te zijn (wordt vervolgd).