30 maart 2015

Robert Went: “Europeanisering en democratie: dan geen sterke natiestaat” III

We zagen dat als er externe effecten van beleid door staten zijn en als die staten het vrij sterk met elkaar eens zijn (dezelfde preferenties hebben), ze beter een fusie ofte wel een federatie kunnen aangaan. In Europa zou dat van toepassing kunnen zijn, maar C. Heeres vindt dat maar onzin. Misschien is het dat ook wel. Robert Went en Hella Hueck zeggen in deel 4 van de serie ‘De economie van overmorgen’: “Op Europees niveau zoiets [een federale regering] bereiken, met zoveel verschillende belangen, is ook al (bijna) niet te doen. We zien tijdens de crisis met Griekenland opnieuw dat Duitsers op de eerste, tweede en derde plaats Duitsers zijn, dat de Grieken Grieken zijn en blijven, terwijl wij Nederlanders blijven – en dat meestal ook graag zo willen houden.” Dus, we houden in Europa te veel van verschillende dingen om een one-size-fits-all federale staat mogelijk te maken. Maar dat is natuurlijk niet het einde van het verhaal: want hoewel de EU dan ver verwijderd is van een federale staat, zijn er wel federaalachtige regelingen in de EU, zoals de begrotingsnormen, de euro, enz. Wie de baas is over die federale regelingen, is onduidelijk, maar het zou best eens Duitsland kunnen zijn. Is dat wenselijk? Zeker! Maar alleen als Angela Merkel een ‘onzelfzuchtige dictator’ is voor wie de welvaart van alle EU-burgers de hoogste zorg is. Niemand gelooft dat, zie de quote van RW en HH. Er zijn in de economische literatuur genoeg voorbeelden te vinden waaruit blijkt hoe onwenselijk de ‘dictatuur’ van een ‘zelfzuchtig’ dominant land kan zijn. Dit geldt zelfs als dit dominante land een ‘gezond’ economisch beleid voert. Een voorbeeld hiervan vindt de geïnteresseerde lezer op mijn economie-blog. Conclusie: liever een federatie dan een economische dictatuur. 

28 maart 2015

Robert Went: “Europeanisering en democratie: dan geen sterke natiestaat” II

C. Heeres reageerde op mijn bespreking van deel 4 van de serie ‘De economie van overmorgen’ van Robert Went en Hella Hueck, over globalisering. Waarom is globalisering belangrijk? Onder andere, omdat overheidsbeleid niet meer los gezien kan worden van de effecten van dat beleid in andere landen. Als land A uitkeringen verlaagt, maar land B niet en mensen zijn mobiel tussen land A en B dan ziet land B een tsunami met uitkeringsgerechtigden op zich afkomen. Als land A ook nog eens strenger wordt voor asielzoekers, gaan de asielzoekers naar land B toe. Ander voorbeeld uit de praktijk: in de EU kunnen de lidstaten vrijwel geheel autonoom de belastingen voor bedrijven bepalen. Het gevolg is dat de EU-lidstaten elkaar de tent uitvechten met afbraaktarieven die vooral hebben geleid tot derving van belastinginkomsten uit bedrijven. Om dit soort negatieve ‘externe’ effecten van overheidsbeleid zo veel mogelijk te voorkomen is het welvaart verhogend als landen hun beleid op elkaar afstemmen. Hetzelfde geldt voor de positieve externe effecten die er natuurlijk ook zijn. Als land B, bijvoorbeeld, een spoorlijn aanlegt die precies aansluit op een goederenlijntje in land A, dan wordt dat lijntje opeens een stuk waardevoller voor land A. Als land A en land B het ook nog eens met elkaar zijn wat de gewenste omvang van de overheid, de vormgeving van de welvaartsstaat, enz., betreft, dan is het zelfs het allerbeste om maar gewoon te fuseren en één centrale overheid te vormen die dan alle effecten van beleid tegen elkaar kan afwegen. Je hoeft niet eens een beetje econoom te zijn om te begrijpen dat zo’n fusie voor land A en B dan een betere oplossing is. Maar de vraag is uiteraard of land A en B het voldoende met elkaar eens zijn (wordt vervolgd).

26 maart 2015

Robert Went: “Europeanisering en democratie: dan geen sterke natiestaat”

Deel 4 van de serie ‘De economie van overmorgen’ (over globalisering) van Robert Went en Hella Hueck behandelen (onder veel meer) het politiek trilemma van de econoom Dani Rodrik: “democratie, economische integratie en nationale soevereiniteit gaan niet samen. We moeten er twee kiezen.” Dus, als we in Europa voor een volwaardig democratisch instituut op EU-niveau kiezen, dan kunnen we geen sterke natiestaten in de EU meer hebben, aldus Rodrik. Helemaal niet erg, zeggen RW en HH, want we willen ook helemaal geen federale EU. Dus laat maar zo? Helaas kan dat niet zonder ongelukken, zoals we nu voortdurend om ons heen zien. De EU-leiders hebben centrale EU-regelingen in het leven geroepen (euro, begrotingsnormen, centrale bank, bankenunie, etc.), maar in het midden gelaten wie daar de baas over is. In het 3-keuzenmenu van Rodrik ontbreekt feitelijk de EU-situatie. Er is wel gekozen voor economische integratie, maar democratie en nationale soevereiniteit zijn een beetje door elkaar gehusseld. Op centraal niveau geldt het recht van de sterkste. En de sterkste in het eurogebied is: Duitsland, een beetje Frankrijk, maar zeker niet Nederland, Griekenland, Finland…. Dat hadden de Founding Fathers van de VS-grondwet toch beter gezien. Zij vreesden ook (net als Rodrik, menu 3) dat bij centralisatie van de democratie de (natie)staten en dan vooral de kleinere machteloos zouden zijn bij federale besluitvorming. Dus vonden zij de senaat uit, waar iedere staat met dezelfde hoeveelheid stemmen vertegenwoordigd zou zijn. De senaat bestaat nog steeds, de staten verdwenen niet en hebben nog veel eigen bevoegdheden (kunnen zelf belastingen heffen, bijvoorbeeld), maar de VS werd toch een sterke federatie. Kortom, centralisatie (EU-regering met gekozen parlement) kan heel goed samen met sterke natiestaten. De huidige EU-situatie met vlees (centralisatie) noch vis (decentralisatie) blijkt, inderdaad, tot de dictatuur van Angela Merkel in Europa te leiden.  

25 maart 2015

Robert Went: wordt de Griekse democratie verpletterd door de EU?

Deel 4 van de serie ‘De economie van overmorgen’ (over globalisering) van Robert Went en Hella Hueck begint met de Britse journalist Paul Mason die Jeroen Dijsselbloem toevoegt dat hij (JD) zojuist de Griekse democratie verpletterd heeft. RW & HH laten daar op volgen dat er iets wringt in de Europese democratie: “Wat voor zelfbeschikkingsrecht hebben de Grieken nog?” Een interessante vraag. Laten we die in Nederlands perspectief plaatsen. Stel dat, op zekere dag, de provinciale staten (PS) van Groningen zouden besluiten dat de NAM niet langer aardgas mag winnen in de provincie wegens de schade voor de Groningse huiseigenaren. Zo’n besluit zou direct door het nationale parlement overruled worden. Uiteraard! Het besluit van de PS zou immers vergaande gevolgen hebben voor alle huishoudens in Nederland. Politieke besluiten horen daar genomen te worden waar alle baten en kosten kunnen worden afgewogen. Toen een groot aantal Griekse kiezers voor Syriza kozen, hielden ze alleen maar rekening met hun eigen baten en kosten. Dat is hun goed recht en ook niet hun schuld. Integendeel, het is de schuld van de EU zelf, die wel allerlei centrale regelingen invoerde, maar daarbij vergat ook de democratie te centraliseren. Er is wel een Europees parlement met verkiezingen en al, maar uit alles blijkt dat de EU-staten niet hebben gewild (en nog steeds niet willen) dat dit een volwaardig democratisch instituut voor centrale EU-besluitvorming wordt. De lidstaten hebben niet gekozen voor menu 3 op de menukaart van Dani Rodrik die RW en HH ons offreren. Bij menu 3 is er centrale democratie, maar geen sterke natiestaat. Maar is dat zo? En als dat zo zou zijn, is dat dan voor Nederland (en Griekenland) misschien eigenlijk wel beter dan de huidige situatie (wordt vervolgd). 

24 maart 2015

Peter Nijkamp: redt de kinderen van Calcutta

Jan Tinbergen was de eerste (Nederlandse) econoom die een Nobelprijs voor de economie kreeg. Hij was een wereldverbeteraar die, tijdens de depressie van de jaren 30, mensen wilde verlossen van de sociale en economische ellende. Hij dacht dat dat wel zou kunnen door economische variabelen beter te meten. Door vervolgens ‘multipele correlatie’ op die variabelen los te laten kon de economische werkelijkheid beter begrepen worden en kon de economie ook beter gestuurd worden. Dacht Tinbergen. Die andere gigant John-Maynard Keynes was hier zeer sceptisch over. In een beroemde discussie met Jan Tinbergen suggereerde hij dat als je 70 econometristen een model van de economische werkelijkheid liet maken, je 70 verschillende modellen terug kreeg (en dus ook 70 verschillende beleidsadviezen). Keynes heeft de Nobelprijs nooit gekregen: hij ging te vroeg dood. Peter Nijkamp zal de Nobelprijs in de economie ook nooit winnen, maar in een interview in De Volkskrant afgelopen weekend zegt hij dat hij gefascineerd was door de visie van Tinbergen. Nijkamp heeft namelijk een missie: “Als je kinderen op straat in Calcutta hebt zien sterven, dan moet je iets doen. Ik heb de droom om de wereld te verbeteren met kennis”. Het wetenschappelijke werk dat ik van hem heb gezien, is echter van lage kwaliteit, is zeer onzorgvuldig over het verkrijgen en het gebruik van gegevens, de 'analyses' deugen niet (dat wil zeggen redeneringen volgen niet uit de gegevens, conclusies komen uit de lucht vallen, etc.). Tenslotte, maar daar beroep ik mij voornamelijk op de anonieme klager N.N., zit het vol (zelf)plagiaat. Het is mij een raadsel hoe je met dit werk de kinderen uit Calcutta kunt voeden. Maar in hetzelfde interview zegt PN ook nog toppublicaties te hebben. Die heb ik inmiddels opgevraagd. Wellicht kunnen die wel levens redden.

21 maart 2015

Frank van der Duyn Schouten (VU): laat cie Zwemmer zwemmen

In januari 2014 besloot het College van Bestuur van de Vrije Universiteit (VU) de commissie Zwemmer het hele oeuvre van Nijkamp op (zelf)plagiaat* te laten doorlichten. Wij zeiden bijna een jaar geleden al dat dit niet zo’n interessante exercitie is: er zou een commissie moeten komen die de kwaliteit van het werk beoordeelt en niet artikelen scant op plagiaat. De commissie is meer dan een jaar bezig geweest, en kwam onlangs met het rapport. De belangrijkste bevinding is dat er in 43 van de 261 onderzochte publicaties van Nijkamp sprake is van zelfplagiaat. Hoewel (zelf)plagiaat natuurlijk verwerpelijk is, is die conclusie nauwelijks interessant te noemen. Er blijven nog heel veel artikelen van Nijkamp over, kennelijk, waar geen (zelf)plagiaat is gepleegd (of waar het niet nagegaan kan worden). Over de kwaliteit van het werk van Nijkamp trekt de commissie een suggestieve conclusie: “De geconstateerde ‘questionable research practice (qrp)’ past in de kennelijk door Nijkamp gekozen publicatiestrategie, waarbij kwantiteit leidend lijkt te zijn en nauwelijks in toptijdschriften wordt gepubliceerd.” Dat is wat wij zelf ook al vermoedden en door de anonieme klager al eerder uitgebreid geboekstaafd is, maar het ultieme ‘officiële’ bewijs ontbreekt nu, ondanks het rapport van de commissie Zwemmer. De rector van de VU, Frank van der Duyn Schouten (FDS), die wij op dit blog al eens zijn tegen gekomen rond deze affaire, heeft namelijk besloten de conclusie over de qrp niet te volgen en het belangrijkste deel van het rapport niet openbaar te maken. De rector kan nu van alles beweren over dit rapport zonder dat iemand anders dat kan controleren. De rector laat de commissie Zwemmer gewoon zwemmen, zodat Peter Nijkamp oncontroleerbare verwijten naar de verdrinkende commissie kan blijven schreeuwen.
*) Hier stond eerst "plagiaat". Frank van Kolfschooten wees mij er op dat de commissie Zwemmer Nijkamp's werk alleen op zelfplagiaat heeft doorgelicht. Klopt, hoewel de opdracht ook uitdrukkelijk op het werk van anderen (dus: plagiaat) betrekking had. Heeft de commissie niet kunnen vinden. N.N. wel, bijvoorbeeld in het ook door mij besproken Cyber-artikel vond N.N. bijna hele bladzijden vol overschrijvingen van het werk van anderen. 

20 maart 2015

Peter Nijkamp: maakt zelfs integriteitscommissies discutabel

Als je deel uitmaakt van het Landelijk orgaan wetenschappelijke integriteit (Lowi) ben je beslist geen minkukel. Je moet lid zijn van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en dat word je niet zo maar. Dan moet je een behoorlijke reputatie in je vakgebied hebben opgebouwd. Als het Lowi dus Peter Nijkamp en Karima Kourtit vrij pleiten van plagiaat, terwijl in een van hun artikelen grote delen letterlijk zijn overgeschreven, dan zal er wel grondig over nagedacht zijn door de wijze leden van het Lowi. Wij hebben echter geconstateerd dat het Lowi verzuimd heeft het desbetreffende artikel grondig te analyseren en daardoor het ware karakter van het artikel gemist heeft. Zijn de hooggeleerde dame en heren dan te lui om een artikel, waar ze over moeten oordelen, te lezen? De econoom in het gezelschap is een man met een degelijke reputatie en hij is in staat de geschriften van Peter Nijkamp te lezen en te beoordelen. Hij is immers een groot kenner van de theoretische en empirische micro-economie; dus aan zijn wijsheid kan het niet liggen. Waar dan wel aan? Misschien dan toch weer aan de ons-kent-ons maffia die de academische economenwereld in Nederland is. Onze Lowi-econoom kent Nijkamp ongetwijfeld goed. Ze hebben zich beiden met migratie bezig gehouden en de Lowi-econoom heeft in diverse promotiecommissies met Nijkamp als promotor gezeten. Er zijn dus diensten aan elkaar geleverd (ongetwijfeld ook door Nijkamp aan de Lowi-econoom, al weet ik niet wat) en dan ben je wat aardiger voor elkaar als er om een kritisch oordeel wordt gevraagd. De Lowi-econoom zou er daarom verstandiger aan gedaan hebben zich niet met dit advies te bemoeien. Nu blijkt Nijkamp zelfs in staat te zijn een integriteitscommissie indirect discutabel te maken.

19 maart 2015

Peter Nijkamp: een schoon geweten, IV

Het Landelijk orgaan wetenschappelijke integriteit (Lowi) heeft dus Peter Nijkamp en Karima Kourtit vrij gepleit van plagiaat. Zoals gezegd ging het om het artikel “Evaluation of cyber-tools in cultural tourism,” dat we hierna kortweg als Cyberartikel aanduiden. Volgens het Lowi beroepen de auteurs van het Cyberartikel zich er op dat zij het artikel “niet willen presenteren als een origineel wetenschappelijk werk zonder erkenning voor auteurs.” Het Lowi concludeert daarom dat er geen sprake van plagiaat kan zijn omdat het om een literatuuroverzicht gaat. Wij hebben echter geconstateerd dat het om een meta-analyse (waarbij veel literatuur wordt gebruikt voor een eigen analyse) en niet om een literatuuroverzicht (waarbij veel literatuur wordt gebruikt voor een overzicht van de stand van zaken op een onderzoeksterrein) gaat. Bij een meta-analyse staat de eigen analyse van door anderen in het verleden gepresenteerde onderzoekresultaten voorop. Bij het Cyberartikel gaat het uitdrukkelijk om de eigen analyse en niet om het overzicht. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de manier waarop de auteurs het Cyberartikel eindigen: “gebaseerd op de strategische keuzematrixbenadering concluderen wij dat het beleid ten aanzien van elektronische diensten gericht zou moeten zijn op het midden- en kleinbedrijf ….” Die zogenaamde strategische keuzematrixbenadering passen de auteurs toe op de variabelen die zij uit de literatuur hebben afgeleid. Het is eigen werk, derhalve, en ook al valt er inhoudelijk nogal wat op dat werk aan te merken, het is evident dat hier de gebruikelijke normen voor citeren moeten gelden. Hele bladzijden vol overgeschreven teksten zonder bronvermelding passen hier in ieder geval niet en zijn als plagiaat te bestempelen. Het lijkt er dus op dat het Lowi een oordeel velt zonder het Cyberartikel gelezen te hebben. Dat is pijnlijk omdat dit oordeel in Nederland de weg vrij maakt voor het onbestraft plagiëren van andermans werk (wordt vervolgd).

18 maart 2015

Peter Nijkamp: lariekoek met een schoon geweten, III

Hoe zat het ook al weer? Wij weten dat het Landelijk orgaan wetenschappelijke integriteit (Lowi) de economen Peter Nijkamp en Karima Kourtit van de Vrije Universiteit (VU) vrij hebben gepleit van plagiaat. Het ging hierbij voornamelijk om het artikel “Evaluation of cyber-tools in cultural tourism.” Het Lowi velde geen oordeel over de inhoud van het ‘Cyberartikel’, hoewel ze toch op inhoudelijke gronden de klacht van plagiaat verwerpen. Laten we het dus eerst maar weer eens even over de inhoud hebben. Het Cyberartikel gaat over de sociale en economische effecten van elektronische diensten, zoals boekingen via internet, op de wereldwijde toeristenindustrie. Daarbij wordt er een soort meta-analyse toegepast. Bij een meta-analyse zijn de resultaten van andere studies de gegevens, waarin de onderzoekers dan zelf weer patronen proberen te ontdekken. In het geval van het Cyberartikel gaat het om een lijst van variabelen, die een kracht of een zwakte van, dan wel een kans of een bedreiging voor elektronische diensten in de toeristenindustrie zijn. Op basis van die variabelen worden “strategieën bepaald om de uitdagingen van elektronische diensten het hoofd te bieden …” Zoals bij veel van Nijkamp’s recente werk wordt de exercitie op tamelijk primitieve wijze uitgevoerd: de variabelen die ze het meeste in de literatuur aantreffen, worden door de auteurs in hun lijst opgenomen. De strategieën die ze dan op basis van die lijst van variabelen formuleren, bestaan meestal uit ongefundeerde lariekoek (om de meester zelf maar te citeren) die niet of nauwelijks uit hun lijst volgen. Bovendien worden grote stukken tekst letterlijk zonder bronvermelding overgeschreven. Plagiaat zou je zeggen, in ieder volgens de ethische code van het tijdschrift waarin de auteurs publiceren. Volgens het Lowi dus niet. Hoezo niet? Daarover een volgende keer meer. 

17 maart 2015

Peter Nijkamp: Plagiaat met een schoon geweten, II

Het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (Lowi) is een onafhankelijk (advies)orgaan dat de universiteiten adviseert inzake klachten over schendingen van wetenschappelijke integriteit. Het Lowi heeft, zoals gemeld, de economen Peter Nijkamp en Karima Kourtit van de Vrije Universiteit (VU) vrij gepleit van plagiaat. Het ging hierbij voornamelijk om het artikel “Evaluation of cyber-tools in cultural tourism” dat Kourtit en Nijkamp, samen met nog twee andere auteurs van de VU hadden geschreven. Het artikel is verschenen in de International Journal of Sustainable Development (IJST). Dit tijdschrift publiceert wetenschappelijk werk nadat het door referenten is beoordeeld. Interessant is ook dat de IJST een ethische code voor de auteurs hanteert. Alle auteurs worden geacht deze code te kennen als ze een artikel bij het tijdschrift indienen. ”Plagiaat in welke vorm dan ook,” zo lezen wij in deze code (in onze eigen vertaling), “vormt een ernstige aantasting van de basisprincipes van het wetenschapsbedrijf en kan niet getolereerd worden. Voorbeelden van plagiaat zijn het letterlijk kopiëren van het werk van anderen zonder de gekopieerde tekst tussen aanhalingstekens te zetten en naar de bron te verwijzen op de juiste academische wijze.” Zoals we weten is de affaire Nijkamp in de wereld gebracht door een anonieme klager N.N. In 2014 kwam hij/zij met een uitgebreide beschrijving van schendingen van wetenschappelijke integriteit; de laatste versie van die klacht is hier te vinden. Op bladzijde 69 van dit geschrift vinden we zijn/haar bevindingen over het artikel van Nijkamp et al. in de IJST. Het blijkt dat vooral blz. 6-9 van de door N.N. bekeken versie voor een groot deel is overgeschreven van andere artikelen. Aanhalingstekens ontbreken. Toch heeft Nijkamp, naar eigen zeggen, geen last van zijn geweten, ook al heeft hij de code van een tijdschrift waarin hij publiceert geschonden (wordt vervolgd).

16 maart 2015

Peter Nijkamp: een schoon geweten

Vorige week meldde Frank van Kolfschooten mij dat het Landelijk orgaan wetenschappelijke integriteit (Lowi) de economen Peter Nijkamp en Karima Kourtit van de Vrije Universiteit (VU) vrij had gepleit van plagiaat. Inderdaad verscheen dit bericht een paar dagen later in de krant. Komt er dan na bijna twee jaar een eind aan de controverse rond Nijkamp? In de krant wordt Nijkamp geciteerd met de opmerking dat hij al die tijd een “schoon geweten” heeft gehad. Dat is makkelijk als je zonden geen effect hebben op je geweten. Dan kun je zonder wroeging doorgaan met zondigen. Nijkamp en Kourtit werden door een anonieme klager N.N. in een geschrift van meer dan 70 bladzijden beschuldigd van wetenschappelijk wangedrag, waaronder (maar niet alleen) plagiaat. Deze beschuldiging werd deels bevestigd door een commissie van de VU, waarop Nijkamp en Kourtit, op hun beurt, hun beklag over deze commissie deden bij het Lowi. Het Lowi gaf vervolgens Nijkamp en Kourtit grotendeels gelijk. Het is opvallend dat van alle artikelen die door N.N. zijn bekeken, opeens de nadruk is komen te liggen op het artikel “Evaluation of cyber-tools in cultural tourism” dat Kourtit en Nijkamp, samen met nog twee andere auteurs van de VU hadden geschreven. Waarom nu opeens alle aandacht op dit artikel is komen te liggen, is mij eigenlijk onduidelijk. Het is een typisch artikel uit de Nijkamp-school: slordig, gegevens gebaseerd op een onduidelijke steekproef, vol stukken tekst die overgeschreven zijn van anderen (letterlijk), analyses die niet deugen (of dus zijn overgeschreven), conclusies die niet volgen uit de analyses. Het Lowi vindt het allemaal niet erg. Toch zit er een gerenommeerd econoom in de commissie die zich over dit artikel heeft gebogen. Hoewel gepensioneerd had hij kennelijk toch niet de tijd om dit artikel eens goed te bekijken. Moet ik het weer gaan doen (wordt vervolgd).     

15 maart 2015

Barbara Baarsma: domme praatjes op de Universiteit van Nederland, II

Barbara Baarsma mocht al weer enige tijd geleden een college geven bij de Universiteit van Nederland over, onder meer, de effecten van belastingen. Wij zeiden al dat dit rechtse praatjes waren. Helaas ook nog gemengd met dommigheden. Zo heeft ze het over het toptarief in de inkomstenbelasting. Ze vertelt dat Nobelprijswinnaar James Mirrlees heeft ontdekt dat er een optimaal toptarief is. Dat was al weer bijna 45 jaar geleden: theoretisch was dat een interessant en briljant resultaat, praktisch kun je het helaas niet serieus nemen (en Mirrlees doet dat zelf ook niet). Mirrlees vond namelijk dat het toptarief optimaal nul (dus: 0) procent moet zijn. Dat vertelt professor Baarsma er niet bij, laat staan dat ze het uitlegt. Ze heeft het over het toptarief in Nederland van 52%. Waarom pleit ze er dan niet voor om dit tarief naar nul te verlagen overeenkomstig het oorspronkelijke resultaat van Mirrlees? In plaats daarvan houdt ze een algemeen cliché-praatje over de ontmoedigingseffecten van het toptarief. Dan begint ze na 11½ minuten zich enorm te vergalopperen. Ze beweert dat uit ‘wetenschappelijk onderzoek’ blijkt dat topvoetballers vooral daar gaan voetballen waar het toptarief het laagste is. Bovendien waar het toptarief het laagste is, zijn de voetbalclubs het meest succesvol. Dit onderzoek ken ik; het is van toponderzoekers (nota bene uit de omgeving van Piketty) die ook eens een leuke toepassing wilden presenteren, maar helaas de Europese voetbalmarkt niet kenden. “De heren zijn weer thuis,” zegt BB dan heel erg seksistisch, alsof het vrouwenvoetbal niet de snelst groeiende sport is in Nederland. “Hier zien we de kracht van beleidseconomie, de feiten zijn vaak ontnuchterend.” Inderdaad, het is ontnuchterend te moeten constateren dat professor Baarsma zonder kennis van zaken rechtse en/of domme praatjes voor de UvN mocht leveren.

13 maart 2015

Barbara Baarsma: domme praatjes op de Universiteit van Nederland I

Gisteren een stukje op Geen Stijl over een college door Prof. Beatrice de Graaf, hoogleraar conflict en veiligheid in historisch perspectief, voor de Universiteit van Nederland over Yasser Arafat die in 1973 het terrorisme zou hebben afgezworen. Onzin natuurlijk, de man is na 1973 nog verantwoordelijk voor heel veel bloed, net als inderdaad Tanja Nijmeijer. Het brengt mij er op dat ik zo mijn twijfels heb over het niveau van de Universiteit van Nederland. Goed initiatief natuurlijk die UvN, maar bij colleges waarvan ik de inhoud kan controleren merk ik toch wel erg heel veel onzin op, maar, ik geef het toe, misschien komt dat wel omdat ik kwaad ben dat men mij niet gevraagd heeft het een en ander uit te leggen. Neem bijvoorbeeld dit college van Barbara Baarsma, ook al weer een hoogleraar. Het is nog tot daar aan toe dat ze de invoering van een minimumloon een voorbeeld van ‘overheidsfalen’ noemt. Volgens BB leidt een minimumloon tot werkloosheid, omdat de prijs van laag geschoolde arbeid door de overheid te hoog is gezet. Ze ziet helaas over het hoofd dat dit werkloosheidseffect erg omstreden is (zie bijvoorbeeld dit rechtse schrijfsel en lees tussen de regels door dat een minimumloon ook wel eens een positief effect op de economie zou kunnen hebben, of zie dit genuanceerde verhaal van de haar welbekende Coen Teulings). Maar ok, je kunt niet alles bijhouden als hoogleraar, maar dan begint ze zo na 7-8 minuten over belastingen te praten. Of eigenlijk: ze begint rechtse sprookjes te vertellen, namelijk dat een toptarief mensen ontmoedigt in zichzelf te investeren. Het is natuurlijk heel vaak andersom, zoals Piketty ons ook geleerd heeft: een hoog toptarief weerhoudt mensen in topfuncties ervan zichzelf een onevenredig hoog inkomen toe te kennen. (wordt vervolgd)

10 maart 2015

Thierry Baudet (en vele anderen): wij willen een Peuro, II!

Overheden nemen vaak risico’s zonder daar van te voren goed over nagedacht te hebben. Het gaat dan over grote projecten voor woningbouw, sportaccommodaties, treinstations of metrolijnen. De opbrengsten van dit soort projecten worden vaak overschat en de kosten onderschat. Bovendien leveren overheden zich uit aan particuliere projectontwikkelaars die de overheden tijdens de ontwikkeling van het project met steeds hogere (‘onvoorziene’) kosten en risico’s opzadelen. Als het hele project dan financieel onder water staat wordt het tijd voor een onderzoek. Dan komt er een parlementaire enquête of een onderzoek van de Algemene of lokale Rekenkamer. Rekenkamers zijn instituten die (op lokaal niveau) de leden van de gemeenteraad meehelpen de lokale bestuurders te controleren. Raadsleden zelf hebben niet de tijd of de deskundigheid om daar genoeg tijd aan te besteden. Vaak komt er uit die onderzoeken dat de bestuurders te veel risico hebben genomen, te naïef zijn geweest in hun contacten met private partijen, enzovoorts. De rapporten die dan geschreven worden hebben soms tot doel om ‘af te rekenen’; er worden schuldigen aangewezen die dan een toontje lager moeten gaan zingen, of wellicht zelfs aftreden. ‘Afrekenrapporten’ kunnen, zeker in gemeenten, de sfeer in de politiek behoorlijk verpesten en veel rekenkamers schrijven hun rapporten dan ook niet om af te rekenen, maar om lessen te leren voor de toekomst. In de toekomst moet het beter kunnen. Hoe zit dat met de parlementaire enquête die Thierry Baudet c.s. wil over de invoering van de euro? Dat wordt afrekenen met politici die allang uit de politiek verdwenen zijn. Er valt ook niets te leren, want de kans dat Nederland ooit nog eens in zo’n situatie verzeild raakt, lijkt me uiterst klein. Kortom, van mij hoeft die parlementaire enquête niet.

09 maart 2015

Thierry Baudet (en vele anderen): wij willen een Peuro! (deel I)

Thierry Baudet c.s. heeft zich gespecialiseerd zo lijkt het, in het aanvragen van onderzoeken en/of referenda over Europese zaken. Eerder wilde hij een referendum over het overdragen van bevoegdheden van het nationale parlement naar Europa. Wij zeiden toen dat het niet zo duidelijk was waar dat referendum over ging. Goed, het ging ook niet door. Nu wil hij niet een referendum, maar een parlementaire enquête over de invoering van de euro. Er moet onderzocht worden of de verantwoordelijke politici wisten welke risico's ze namen toen ze de invoering van de euro goed keurden.  Wij citeren even letterlijk: “Realiseerde men zich dat deze euro op termijn zeer grote nieuwe machtsoverdracht aan Brussel noodzakelijk zou maken – zoals de bankenunie, het stabiliteitspact en de op handen zijnde begrotingsunie?” Klein foutje in deze quote: het stabiliteitspact was er in feite al bij de invoering van de euro, maar heette alleen nog niet zo. De fameuze Europese begrotingsnormen uit het stabiliteitspact (tekort maximaal 3%, schuld 60%) waren al in het verdrag van Maastricht van 1991 opgenomen. Die begrotingsnormen leden aan hetzelfde probleem als waar de euro aan leed en lijdt, namelijk dat er geen centraal Europees instituut aan werd toegevoegd om er voor te zorgen dat de lidstaten van de EU met elkaar in de pas liepen. De toenmalige minister-president Ruud Lubbers zei een aantal jaren geleden dat hij zich van die omissie bewust was, maar het was niet zijn schuld. In hem kenmerkende beeldspraak zei hij dat hij er voor gezorgd had dat de muren er stonden, maar dat anderen er geen dak op wilden zetten. Hetzelfde euvel kenmerkte de Europese Grondwet waar wij 10 jaar geleden massaal nee tegen zeiden. Vlees noch vis, dat is/was de euro, de grondwet, het stabiliteitspact, de bankenunie, etc. (wordt vervolgd)

07 maart 2015

Camiel Eurlings: Air-France pakte kaas van zijn brood

We waren Camiel Eurlings alweer een beetje vergeten sinds hij zijn baan bij de KLM was kwijt geraakt. In die baan was hij terecht gekomen via een ministerschap. Het leek erop dat hij als minister van Verkeer veel voor de KLM had geregeld en daar als beloning een top job bij de KLM voor had gekregen. Zoals wij al zeiden is een ministersbaan geen garantie voor succes in het bedrijfsleven. Vooral niet als het bedrijf in financiële problemen komt en als het bedrijf ook nog eens bestaat uit twee fusiepartners (KLM en Air France) met verschillende belangen. Er werd gevreesd dat Air France de problemen ten koste van de KLM wilde oplossen. Naar nu blijkt heeft Eurlings als minister niet veel gedaan om de positie van de KLM tegen Air-France te versterken. Bij de fusie in 2004 hadden de overheid en de KLM nog garanties vastgelegd in een overeenkomst met Air France om de positie van de KLM en Schiphol te waarborgen. Bij het verlengen van deze overeenkomst in 2010 waren er alleen hoofdlijnen afgesproken. Minister Camiel Eurlings meldde toen aan de Kamer dat een nieuwe overeenkomst overbodig was omdat er ‘een sfeer van vertrouwen’ tussen Frankrijk en Nederland was. Het tekent de naïeve en/of luie bestuurder die zich er geen rekenschap van geeft dat private partijen als ze de kans krijgen de tegenpartij een loer te draaien dat ook zeker zullen doen. Zeker als die tegenpartij de overheid is, slagen private partners daar opvallend vaak in. De private partners halen de krenten uit de pap en laten de overheid met de brokken zitten. Camiel Eurlings hoeft zich dus niets te verwijten, vele overheidsdienaren laten zich bij onderhandelingen de kaas van het brood eten.

05 maart 2015

Meindert Fennema: domme rendementsdenker

Over deze gepensioneerde hoogleraar hebben we het al eerder gehad: hij vindt de corrupte lokale bestuurder Jos van Rey zielig. Hij begrijpt niet hoe de euro werkt en begrijpt so-wie-so niet hoe de EU werkt. Vanochtend mocht hij in mijn krant zijn mening geven over het rendementsdenken in het hoger onderwijs. Dat een opleiding met twee studenten volgens hem geen bestaansrecht heeft, daar kunnen we het nog over eens zijn. De financiering van zo’n studie zonder studenten gaat ten koste van andere opleidingen met wel genoeg studenten. Maar dan begint hij te zeuren dat studenten wel moeten werken. “Je hebt de morele verplichting om binnen afzienbare tijd af te studeren en hard te werken,” zegt hij. Ja, ook mee eens. Hij lijkt echter niet op de hoogte te zijn van het hoogte (of eigenlijk diepte-)punt in het Nederlandse rendementsdenken, namelijk de zogenaamde prestatieafspraken tussen de minister en het hoger onderwijs. Die afspraken kunnen er makkelijk toe leiden dat studenten juist minder hard hoeven te werken. Ga maar na, de instellingen moeten minder studenten laten zakken voor hun tentamens (dat is het hogere bachelor-rendement). Dat betekent (en zelfs de Tweede Kamer had dat door, behalve de VVD van Halbe Jupiter Zijlstra) dat de normering minder streng moet worden, zodat de studenten eerder kunnen slagen voor hun tentamens. Maar als studenten eerder slagen voor hun tentamens, hoeven ze zich minder dan voorheen in te spannen. Het rendementsdenken van het ministerie (de prestatieafspraken) leidt dus wel tot meer afgestudeerden in een sneller tempo, maar leidt er ook toe dat de studenten minder hard hoeven te werken. Dit verband had gepensioneerd hoogleraar Fennema nog niet door. Het gaat er wellicht ook niet meer van komen. Hij heeft nog zo veel in te halen.

04 maart 2015

Jan Bergstra, Ralph Wijers & C. Heeres: rendementsdenken is goed

Deze morgen stond er in mijn krant een ingezonden brief van de eerste twee heren, afkomstig kennelijk van de Universiteit van Amsterdam. Tegen het verwijt dat er kil rendements-denken zou heersen aan de universiteiten, schrijven zij: “Moet niet eenieder die van [belasting]geld (…) mag leven zich gehouden voelen dat een beetje doelmatig uit te geven? Is het geen morele verplichting van elke universiteit, en student, om te streven naar afstuderen in eindige tijd?” Retorische vragen uiteraard, want het antwoord op beide vragen kan geen nee zijn. Uiteraard moet het belastinggeld bestemd voor het onderwijs zo doelmatig en effectief mogelijk worden uitgegeven. Met andere woorden, zo hoog mogelijke kwaliteit tegen zo laag mogelijke kosten. Als je echter gelijk met de kosten ook de kwaliteit laat dalen, ben je bezig, niet met kil, maar met dom rendementsdenken. Laat me een voorbeeld geven uit de zogenaamde prestatieafspraken. Volgens die afspraken zouden universiteiten meer studenten in hun ‘excellentieprogramma’s’ moeten laten instromen. Hogere kwaliteit tegen ongeveer dezelfde kosten (want de programma’s waren er al). Maar als er nu eens niet meer ‘excellente’ studenten waren? Dan zouden de universiteiten alleen aan hun afspraak kunnen voldoen door het begrip excellentie wat minder streng te definiëren. Ander voorbeeld: het percentage studenten dat zakt voor tentamens moest omlaag. Maar als de studenten gewoon niet beter kunnen? Dan zou het tentamen lichter gemaakt moeten worden om aan de afspraak te kunnen voldoen. Kortom, de afspraken die de minister met de instellingen heeft gemaakt, zullen misschien wel tot lagere kosten leiden, maar ook tot kwaliteitsdaling. De prestatieafspraken van de minister met de instellingen getuigen, met andere woorden, niet van een doordachte visie op kwaliteitsverbetering in het hoger onderwijs. De belastingbetaler heeft daar wel recht op. Dit is dan tevens mijn antwoord op de vraag van C. Heeres.

03 maart 2015

Frans van Vught (rendementsdenker): exit gewenst

Frans van Vught is voorzitter van de zogeheten reviewcommissie die als taak heeft in opdracht van de minister om na te gaan of de universiteiten en hogescholen zich wel aan de zogenaamde prestatieafspraken in het hoger onderwijs hebben gehouden. De instellingen van hoger onderwijs moesten zelf opschrijven welke prestaties ze wilden gaan leveren en Frans Van Vught gaf cijfers voor die plannen; we schreven daar eerder over. Hoe meer studenten de instellingen in hun ‘excellentieprogramma's’ wensten en des te minder studenten ze zouden laten zakken voor hun tentamens des te hoger de waardering die Van Vught voor de plannen had. Dat de ‘werkvloer’ (die die plannen moet uitvoeren) bij die plannen niet gekend was en dat men ook niet stil stond bij de vraag of dit soort indicatoren iets met de kwaliteit van onderwijs van doen had, daar heeft Frans van Vught zich niet al te druk om gemaakt. Hij gaf gewoon cijfers voor de plannen. Het opvallende was dat niemand op de werkvloer (zowel docenten als studenten) zich erg druk maakte om die afspraken. Men was murw geslagen, zo leek het: weer zo’n oekaze van topbestuurders waar je niks mee kunt. De huidige minister van onderwijs, Jet Bussemaker, zo schreven wij, is, daarentegen, zeer in haar nopjes met de prestatieafspraken. Ze wil er absoluut niet vanaf, want “de prestatieafspraken zijn een middel om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.” Maar kijk opeens is daar een revolte tegen het rendementsdenken, een revolutie die, zeer ouderwets, door studenten is begonnen. Tip aan de studenten: eis dat de reviewcommissie, inclusief de voorzitter en de leden (waaronder Henriëtte Maassen van den Brink, een tegenvaller, ik schatte haar slimmer in) per direct wordt opgeheven. 

02 maart 2015

Jet Bussemaker: de moeder van het rendementsdenken

Wij spraken over de zogenaamde prestatieafspraken die tussen de universiteit en het ministerie zijn afgesloten. Dit zijn bureaucratische afspraken tussen collaborerende bestuurders van de universiteiten en de toenmalige staatssecretaris voor onderwijs ‘Jupiter’ Zijlstra, waarbij de universiteiten zich er toe verplichten meer studenten in de eerste fase van hun studie te laten slagen. Men noemt dat plechtig het bachelor-rendement. Dit ‘rendement’ heeft heel weinig met de kwaliteit van onderwijs te maken. Iedere docent weet dat het rendement zonder enige verhoging van de kwaliteit van de cursus en/of de opleiding in een handomdraai te verhogen is. De kwaliteit van de opleiding wordt door heel veel zaken bepaald. Bijvoorbeeld door de inzet van de docenten; door de mate waarin zij bereid zijn het vak bij te houden; de tijd die zij krijgen voor het verzorgen van hun vak; de inzet en motivatie van studenten zelf, enzovoorts. Aan al die zaken schort wel eens wat, maar het belangrijkste dat er aan schort is voldoende geld en dus tijd voor docenten om studenten te begeleiden. Zo ken ik opleidingen waar studenten praktijkgerichte projecten moeten doen, waar ze uiteindelijk een cijfer voor krijgen, maar geen begeleiding en geen feedback over wat ze goed of fout hebben gedaan. De docenten krijgen er geen tijd voor. Wat weet de minister, Jet Bussemaker, van de kwaliteit van onderwijs? Een jaar geleden schreef ze: “Kwaliteit wordt door meerdere factoren bepaald.” Dat schrijft ze nadat ze even eerder had opgemerkt dat er helaas een paar “onvoorziene bezuinigingen” in het hoger onderwijs waren ingevoerd. Goed, meer geld zit er niet in. Wil ze dan misschien van het ‘rendementsdenken’ af? Nou nee hoor, want “De prestatieafspraken zijn een middel om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.” 

01 maart 2015

Louise Gunning: bondgenoot van studenten?

Wij spraken over Louise Gunning, collegevoorzitter van de Universiteit van Amsterdam (UvA), die geen inspraak van studenten duldt. Maar mijn krant meldde afgelopen week dat Gunning zichzelf als een natuurlijke bondgenoot van studenten beschouwt. Zowel bestuurders als studenten hebben de kwaliteit van onderwijs hoog in het vaandel staan, maar als je wegens teruglopende studentenaantallen minder geld van de overheid krijgt, dan moet je als bestuurder ingrijpen. Dat heeft weinig met rendementsdenken te maken, maar veel met minder geld van de belastingbetaler. Zoiets. Helaas, dit klinkt niet erg oprecht uit de mond van bestuurder Louise Gunning. Zij heeft immers getekend voor de zogenaamde prestatieafspraken die tussen de universiteit en het ministerie zijn afgesloten. Dit zijn bureaucratische afspraken tussen de bestuurders van de universiteiten en het ministerie, waar het rendementsdenken vanaf spat. De bestuurders hebben die afspraken zelf voorgesteld, waarbij docenten en studenten van de instellingen, voor zover ik weet, niet betrokken werden. Wij schreven eerder over deze afspraken en karakteriseerden het proces als een vorm van collaboratie van onderwijsbestuurders met de toenmalige staatssecretaris voor onderwijs ‘Jupiter’ Zijlstra. Instellingen werden gedwongen door Zijlstra om allerlei ambities te formuleren, zoals de ambitie dat het bachelor-rendement omhoog gaat van 60 naar 70 procent (Universiteit van Tilburg), of van 61 naar 70 procent (Universiteit van Amsterdam), of van 70 naar 74 procent (Universiteit van Utrecht). Het is een cliché, maar een indicator als het bachelor-rendement heeft heel weinig met de kwaliteit van onderwijs te maken. Iedere docent weet dat als jouw bestuurders een hoger rendement eisen, je gewoon meer studenten laat slagen voor je tentamens. Met pijn in het hart, dat wel, want voor de gedreven docent staat kwaliteit voorop. Als Gunning echt de bondgenoot van studenten zou zijn, had ze niet getekend voor een systeem dat perverse prikkels genereert.