24 december 2014

Ronald Plasterk (PvdA): de (laatste) man van het jaar 2014

Hij is eigenlijk de minister die zowel centralisatie als decentralisatie wil. Over decentralisatie schreef hij: “dat een pakket van verantwoordelijkheden op het gebied van zorg en sociale zekerheid verhuist van het Rijk naar de gemeenten. (…) Dit is de bestuurslaag die het best in staat is bij mensen thuis te komen, mensen in de ogen te kijken.” Maar hij wil ook centraliseren. Zo moeten gemeenten minimaal 100.000 inwoners tellen, want zo schrijft hij op de site van het ministerie: “dat leidt (…) tot meer vakkundige ambtenaren en meer efficiënt beleid.” Hij wilde ook nog provincies samenvoegen. Er lijkt allemaal niet veel van te komen. Gemeenten en provincies willen niet fuseren. Decentralisatie van de jeugdzorg, bijvoorbeeld, gaat wel door, maar daar heeft Plasterk weer niet zo veel over te zeggen. Zijn partijgenoot Martin van Rijn komt met dit onderwerp meer op de verrekijk dan Plasterk die een beetje in de anonimiteit dreigde weg te zakken. Maar kijk, bij het scheiden van de markt kon hij toch nog een klein succesje boeken. Hij slaagde er in een wet die de topsalarissen in de (semi)publieke sector per 1 januari beperkt aangenomen te krijgen in de Eerste Kamer. Hoera, maar helaas, want De Volkskrant meldde vanochtend dat zijn collega’s Blok (wonen, VVD) en Schippers (zorg, VVD) de wet niet gaan uitvoeren: “In de zorg en bij de woningcorporaties gaat het voor komend jaar niet meer lukken, schreven zij dinsdag aan de Tweede Kamer.” Arm ministertje Plasterk, eerst nog zo trots dat hij zijn wet voor het eind van het jaar door het Parlement had geloodst, maar dan toch nog met lege handen. Voor mij is hij evengoed de (laatste) man van het jaar. Tot in het nieuwe jaar, dus. 

22 december 2014

Jozias van Aartsen: het hoofd koel in 2014

We herinneren ons de dag nadat Wilders tijdens de uitslagenavond van de gemeenteraadsverkiezingen, 19 maart 2014, om minder Marokkanen in het land had geroepen: Van Aartsen betoogde toen dat Wilders zijn morele kompas kwijt was. Op 24 juli 2014 protesteerden Nederlandse moslims in Den Haag tegen de Gazaoorlog en riepen op om Joden te vermoorden. Van Aartsen zelf reageerde niet. Omroep West berichtte daarop: “Volgens de woordvoerder van Van Aartsen zijn er duidelijke grenzen afgesproken door het Openbaar Ministerie, de politie en de gemeente. Er zijn geen arrestaties verricht en dus zijn er volgens de woordvoerder geen strafbare grenzen overschreden. Burgemeester Van Aartsen wil verder geen toelichting geven.” Weken later verklaarde Van Aartsen dat hij het natuurlijk verschrikkelijk vond wat de moslims (ISIS-aanhangers) hadden geroepen. Hij had met opzet niet op of vlak na 24 juli gereageerd, want dat zou tot “seismische” reacties in de stad hebben geleid. Bovendien wilde hij niet optreden tegen de fanatieke moordzuchtige moslims, omdat hij al wist “dat er arrestaties aanstaande waren.” Daarom hield hij “het hoofd koel”. In de Volkskrant deze ochtend herhaalde hij dit verhaal: “Het beeld dat de burgemeester anti-Joodse demonstraties toelaat, is totaal uit zijn voegen gerukt. Op 24 juli is terstond opgetreden om de antisemitische uitingen te stoppen. Ik had alleen geen zin toe te geven aan die hetze door te zeggen: ik kom terug om boete te doen.” Die hetze was onder andere een petitie waarin zijn aftreden werd geëist. Van Aartsen is niet afgetreden, uiteraard. De vraag blijft natuurlijk namens wie de woordvoerder van Van Aartsen over de gebeurtenissen van 24 juli 2014 sprak: namens Van Aartsen? Dan jokt de burgemeester vandaag in de krant, maar wel met een koel hoofd.

21 december 2014

Sylvester Eijffinger: “Ben ik gelukkiger dan Harrie Verbon?”

Wij herinneren ons dat Sylvester Eijffinger (SE) mopperde op zijn webpage dat de ‘interpersonele nutsvergelijking’ uit de economische wetenschap is verdwenen. Interpersonele nutsvergelijking, dat is zoiets als nagaan of de ene persoon, SE bijvoorbeeld, gelukkiger is dan een ander persoon, zeg HV. Zo’n vergelijking is altijd een probleem geweest voor economen. De economische theorie gaat er nog wel vanuit dat mensen in staat zijn hun eigen geluk te bepalen, maar of ze dan ook nog gelukkiger zijn dan anderen is problematisch. SE wil kennelijk heel graag weten of hij gelukkiger is dan een andere econoom als, zeg HV. Maar, probleempje! Er zijn economen die geprobeerd hebben (en dat nog steeds proberen) geluk te meten, maar tot een eenduidige geluksmeter heeft dat niet geleid. Terwijl we, als we op onze thermometer aflezen dat de temperatuur onder nul is, weten dat het vriest, geldt dat voor de geluksmeter niet. Als het geluk van SE onder nul is en het geluk van HV is boven nul, dan kan SE toch nog gelukkiger zijn dan HV. We weten het gewoon niet. Economen zeggen: geluk is ‘ordinaal’, dat wil zeggen de individuele geluksmeter geeft voor iemand aan of hij in de ene situatie gelukkiger is dan in de andere situatie, maar niet hoeveel maal gelukkiger. Dat is wel vervelend, want stel dat we onze Piketty-rijken stevig gaan belasten en de opbrengst aan de Piketty-armen geven. We kunnen dan niet weten of het totale geluk toeneemt. Herverdeling is zo bezien een sprong in het duister. SE meent dat economen dan maar niets meer zeggen over herverdeling, maar dan kent hij de economen niet. Natuurlijk laten economen het er niet bij zitten. Maar daar kunt u hopelijk op mijn economieblog meer over lezen.

20 december 2014

Guusje ter Horst: dubbele pet

Guusje ter Horst heeft tegen de beperking van de artsenkeuze gestemd, omdat ze vindt dat de positie van de zorgverzekeraars al sterk genoeg is en niet versterkt hoeft te worden. We zeiden eerder dat het voor individuen beter kan uitpakken om de beoordeling van de kwaliteit van een dokter en/of ziekenhuis aan de zorgverzekeraar over te laten. Beperkte artsenkeuze is dan voor patiënten niet nadelig, als patiënten tenminste vinden dat een goede behandeling belangrijker is dan de vrijheid om zelf een (slechte) medicus te kunnen kiezen. Voor de zorgaanbieders is een beperking van de vrije artsenkeuze altijd nadelig. Zij worden daardoor gedwongen om zorg aan te bieden die van voldoende hoog niveau is en bij voorkeur beter dan de zorg die collega’s aanbieden. Met andere woorden, zorgaanbieders moeten met elkaar gaan concurreren om de gunst van de verzekeraars. Er is niets zo vervelend voor medici als onderlinge concurrentie, want ook in de medische wereld geldt dat concurrentie leidt tot verzwakking van de eigen positie. Daarom trekken medici altijd in ‘gesloten formatie’ op en er is, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen medische beroepsgroep geweest die de beperking van de artsenkeuze heeft toegejuicht. Dat geldt zelfs voor de zorgaanbieders uit de zogenaamde eerste lijn, zoals huisartsen en fysiotherapeuten die niet direct last hebben van de beperking van de artsenkeuze. Fysiotherapeuten zijn ook erg tegen. Wie was ook al weer, toevallig ook op 16 december, voorzitter geworden van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie? Inderdaad, Guusje. Wie vertegenwoordigt ze dan eigenlijk in de Eerste Kamer? Mij (ik stemde PvdA) of de fysiotherapeuten?

19 december 2014

Adri Duivesteijn: wil liever faillissement van de zorg

Adri Duivesteijn heeft prostaatkanker. Naar eigen zeggen was hij 6 jaar geleden uitbehandeld, maar kon hij een andere specialist vinden die er nog wel voor wilde knokken: “Als jouw verzekeraar geen contract heeft met zo'n specialist kom je niet binnen. Ik durf te zeggen dat als ik in die tijd een naturapolis zou hebben gehad, dus een verzekering zonder vrije artsenkeuze, de mogelijkheid om naar Nijmegen (die andere specialist, HV) te gaan vrijwel uitgesloten was geweest.” Daarom stemde hij in de Eerste Kamer tegen de beperking van de artsenkeuze. Klinkt overtuigend? Laten we eens kijken. De beperking van de artsenkeuze stelt zorgverzekeraars in staat om zorgaanbieders die niet aan de kwaliteitseisen voldoen in ieder geval gedeeltelijk uit te sluiten. Wat Duivesteijn dus suggereert is dat hij (Duivesteijn) beter in staat is te beoordelen of een medicus aan de eisen voldoet dan zijn verzekeraar. Het lijkt me eerder dat het voor individuen (ziek of niet ziek) moeilijk is de kwaliteit van een dokter en/of ziekenhuis te beoordelen. Door die beoordeling aan de zorgverzekeraar over te laten, is de kans juist groter dat patiënten een hoogwaardige behandeling krijgen. Duivestein zou dan misschien helemaal niet bij zijn eerste specialist zijn terecht gekomen, waarvan hij immers suggereert dat die niet eens goed genoeg was om voor hem te “knokken” (maar die hij toch gekozen had). In het model van Duivesteijn moet het een patiënt dus toegestaan worden om bij ziekte eerst allerlei kwakzalvers op te zoeken die de belastingbetaler geld kosten, maar geen genezing opleveren om dan uiteindelijk bij de goede specialist uit te komen. Dit is eerder een garantie op een snel faillissement van het stelsel dan dat het de sociaal zwakkeren in de samenleving beschermt. 

16 december 2014

Boudewijn Poelmann: de ‘Dirk Scheringa’ van het loterijwezen

We hebben het al vaker gehad over de postcodeloterij van Boudewijn Poelmann. Laten we zijn ‘prestaties’ nog eens op een rij zetten. Hij maakt inbreuk op ons privéleven door ons tegen Nieuwjaar er aan te herinneren dat we een loser kunnen worden als we geen postcode-lot hebben; bij iedereen die miljonair had kunnen zijn, maar het niet werd, omdat hij/zij geen lot had, pepert hij het er via de verrekijk en zijn brochures in dat zij losers zijn; hij verplicht kortom iedereen met zijn loterij ‘van de angst’ mee te spelen; hij wordt er vooral zelf rijk van. Dat doet aan de praktijken van Dirk Scheringa denken. Net als Scheringa, voor zijn val, wordt hij door alle hoogwaardigheidsbekleders op handen gedragen. Hij doet immers zo veel goed in Nederland. We zeggen het nogmaals: de postcodeloterij pleegt een vorm van chantage door iedere Nederlander als een potentiële verliezer aan te wijzen. Die verliezers (zij die weten dat ze miljonair waren geweest als ze wel postcodeloten hadden gehad) zijn er ieder jaar weer. Dit jaar viel de ‘kanjer’ in Vrouwenpolder; De Volkskrant had afgelopen weekend een artikel over het leven in het dorp na de hoofdprijs. De verslaggeefster had een paar mensen zonder lot weten op te sporen. Dat bleken mensen te zijn die leven van een uitkering, of het waren mensen met financiële problemen voor wie 15 euro per maand voor een lot te veel is. Mensen dus die in één keer uit de problemen zouden zijn geweest als ze wel een lot hadden gehad. Zij waren er letterlijk ziek van geworden. Jammer, maar pech, want het geld van Boudewijn ‘Dirk Scheringa’ Poelmann is goed (zie foto). 

15 december 2014

Hella Hueck (RTLZ): neemt OECD-onderzoek met te weinig korrels zout

In 2000 publiceerden twee economen van de Wereldbank, Craig Burnside en David Dollar (B&D), een artikel waarin zij empirisch bewezen dat ontwikkelingshulp alleen effectief was in landen met ‘goed bestuur’. Dit was een sympathieke conclusie die, vooral door de Wereldbank zelf, stevig omarmd werd. Al gauw bleek echter dat de resultaten van B&D weinig robuust waren. Als je extra gegevens toevoegde aan de data die B&D hadden gebruikt, stortte de conclusie als een plumpudding ineen. Het leek er op dat B&D wel erg naar de conclusie hadden toegewerkt. Recent bracht OECD-onderzoeker Federico Cingano een werkartikel uit over het effect van ongelijkheid op economische groei. Met behulp van gegevens uit een groot aantal landen wordt empirisch bewezen dat inkomensongelijkheid slecht is voor de economische groei. Ook weer een sympathieke conclusie. Is deze conclusie wel te vertrouwen? Helaas, er valt heel wat af te dingen op het onderzoek van Cingano. Zo wordt er weinig aandacht besteed aan de verschillen in instituties tussen landen. Cingano neemt bovendien aan dat het verband tussen ongelijkheid en economische groei in alle landen volgens hetzelfde mechanisme verloopt. Dit is minstens een simplificatie en bijna zeker onjuist. Toch gaat Cingano met deze aanname uitrekenen hoe hoog de economische groei in diverse landen zou zijn geweest als de inkomensongelijkheid lager was geweest. In 20 jaar tijd zou, aldus Cingano, het nationaal inkomen in Nederland 5% hoger zijn geweest als de inkomensongelijkheid niet was toegenomen. Journalist Hella Hueck citeert dit resultaat alsof het een voldongen feit is. Het lijkt mij echter dat we op basis van de wetenschappelijke kwaliteit van het OECD-rapport dit ‘feit’ met heel veel korrels zout moeten nemen. 

11 december 2014

Robin Fransman: is een definitie een theorie?

Robin Fransman vindt dat we te veel sparen. Daar waren we het al mee eens. Nederland is het land met de hoogste pensioenbesparingen, in ieder geval als percentage van het nationaal inkomen. Ons gigantische overschot op de handelsbalans (10 procent van het nationaal inkomen) is een bewijs van onze spaarzin. Als je een overschot hebt op de handelsbalans wil dat namelijk zeggen dat je meer produceert dan je zelf wil gebruiken, oftewel de nationale besparingen zijn groter dan de investeringen. Op zichzelf is dat geen probleem, want terwijl er in Nederland een spaaroverschot is, hebben andere landen, bijvoorbeeld Griekenland of de VS, een spaartekort. Wereldwijd bezien vallen alle spaartekorten en spaaroverschotten tegen elkaar weg. Dat is geen economische theorie, dat is boekhouden. Wat zegt nu Fransman bij RTLZ: “Als je collectief méér spaart, terwijl door een gebrek aan investeringen de economie niet meer groeit, dan nemen ook automatisch de schulden toe.” Dat klopt per definitie, want een schuld komt voort uit een spaartekort en als dus ergens het spaaroverschot toeneemt, moet (als de investeringen niet veranderen) ergens anders het spaartekort (dus de schuld) ook toenemen. En dus, zo bedoelt Fransman te zeggen, aangezien schulden de kiem vormden van de kredietcrisis (niet gedekte ‘flodderhypotheken’ in de VS), ligt er weer een crisis op de loer en wel doordat wij te veel sparen. Hier maakt Fransman een hele rare gedachtesprong. Hij suggereert namelijk dat er een causale relatie is van sparen naar schulden, maar die is er uiteraard helemaal niet. Er is alleen een boekhoudkundige gelijkheid. Hoe die gelijkheid precies tot stand komt, dat weet niemand, het kan op oneindig veel manieren. Dat het volgens de ‘Fransman theorie’ zou lopen, zou wel heel toevallig zijn (een kans van één op oneindig).

10 december 2014

Boudewijn Poelmann (postcodeloterij): hoofdprijs in loterij van de angst

Boudewijn Poelmann is de bedenker en directeur van de Nationale Postcode Loterij. Het principe van de Postcodeloterij is bekend. Er wordt een willekeurige Nederlandse postcode getrokken en wie woont op de winnende postcode en een lot heeft, is winnaar. Wie geen lot heeft, krijgt niets. Bij de trekking van de ‘nieuwjaarskanjer’, loopt elke Nederlander zonder postcode-lot het risico het miljonairsdom mis te lopen. Dit is een heel ander verlies dan bij een gewone loterij, omdat je daar nooit kunt weten of je een winnaar was geweest als je wel een lot had gekocht. Bij de postcodeloterij weet je dat wel. Door trekkingen op de televisie uit te zenden, zorgt de postcodeloterij er bovendien maximaal voor de verliezers op de hoogte te stellen van hun verlies. De postcodeloterij pleegt zo een vorm van chantage door iedere Nederlander zonder postcode-lot als een potentiële verliezer aan te wijzen. Poelmann maakt daar geen geheim van; in De Volkskrant zei hij dat zijn loterij gebruik maakt van de angst voor verlies. Deze chantage wordt echter goedgepraat onder het mom van het ‘goede doel’. De hoofdprijs van de postcodeloterij is echter voornamelijk voor Poelmann zelf die volgens Quote inmiddels bijna 40 miljoen euro rijker is geworden door zijn eigen loterij. Er zijn maar weinig mensen die dat allemaal bedenkelijk vinden. Groen links niet; de regering niet; de koning niet en ook de rechter vindt dat de methode van de postcodeloterij geen inbreuk op het privéleven van de burgers betekent. Aan de immorele praktijk van de postcodeloterij wordt dus voorlopig geen eind gemaakt. U loopt daarom het risico dat bij de trekking van de Nieuwjaarskanjer uw buren miljonair worden en u niet. Tenzij u bereid bent Poelmann nog rijker te maken door een lot te kopen.

09 december 2014

Bram Moszkowicz: schaamteloos slecht

Sommige slechte mensen worden nooit gestraft voor hun slechtheid. Deze ochtend stond er in de krant een triest stemmend verhaal over Robert Mugabe, president van Zimbabwe. Al decennia lang beschouwt hij Zimbabwe als zijn persoonlijke speeltje waarmee hij naar eigen goeddunken kan omgaan. Hij wordt door niets of niemand gehinderd. Het land is onder zijn bewind een economische woestijn geworden. Hij is inmiddels 90 en het schijnt dat hij zijn huidige vrouw (49 jaar) zal gaan aanwijzen om als zijn opvolger de plundering van het eigen volk voort te zetten. Een ander slecht mens die nooit gestraft zal worden is Desi Bouterse, president van Suriname. Hij is vooral berucht om de zogenaamde decembermoorden van 1982, maar hij heeft hiervoor niet in een onafhankelijk proces terecht gestaan. In Nederland is hij veroordeeld voor drugshandel, waarbij hij verdedigd werd door Bram Moszkowicz, die al gauw zeer persoonlijke banden met de voormalige dictator ontwikkelde. Volgens velen identificeerde Moskowicz zich te veel met zijn cliënten, vooral als het beruchte, maar tegelijk ook salonfähige criminelen betrof als Desi Bouterse en Willem Holleeder. Zo zeer zelfs dat hij zelf ook criminele neigingen ontwikkelde, maar kijk, anders dan de heren die hij zo eloquent verdedigde, werd hij zelf wel zwaar aangepakt. Moszkowicz werd vorig jaar uit zijn functie ontheven omdat hij stelselmatig de beroepsregels van de advocatuur overtrad. Er wordt nu zelfs een beslag op zijn bezittingen gelegd. Maar Moskowicz verliest niet de moed en is niet van plan zich in een hoekje terug te trekken. Hij schijnt nog steeds geregeld te bezichtigen te zijn bij het verrekijkprogramma RTL boulevard. Deze man is zo slecht dat hij zelf niet inziet hoe slecht hij is. Anders zou hij zich niet zonder gêne aan het volk vertonen. 

07 december 2014

Robert Went: geen paniek over robots


In de jaren 60 voorspelden zogenaamde futurologen steevast dat er na 2000 nauwelijks meer gewerkt zou hoeven worden. Keynes had dat, 30 jaar daarvoor, ook voorspeld. Het is niet uitgekomen. In Nederland was de arbeidsparticipatie rond de eeuwwende relatief hoog. Voorspellen van toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt lijkt een onmogelijke zaak. Nog in 2008 voorspelde de commissie Bakker in het rapport “Een toekomst die werkt” grote tekorten op de arbeidsmarkt. Nu praat minister Lodewijk Asscher over de robotisering in de economie die kan leiden tot “technologische werkloosheid”. Robert Went, lid van de WRR, maakt met Hella Hueck een serie over de economie van overmorgen. Deel 2 haakt in op de zorgen van Asscher over de invloed van robots op ons leven en natuurlijk op de arbeidsmarkt. “Welke banen zullen er verdwijnen?” vragen Went en Hueck aan de directeur arbeidsmarkt bij Randstad. Vooral bij de banken zal het hard gaan, is de verwachting: “(…) computersystemen worden allemaal aan elkaar gekoppeld, waardoor IT’ers (…) en administratieve functies overbodig raken.” Moeten we deze voorspelling wel serieus nemen? Wie ‘De Prooi’ van Jeroen Smit heeft gelezen, weet dat de topbankiers van de ABN/AMRO op geen enkele wijze greep op de kostenstructuur van hun eigen bank konden krijgen. In The Economist wordt ‘voorspeld’ met 94% kans dat er voor accountants banen gaan verdwijnen. Bizar, als je weet dat accountants grote moeite hebben boekhoudtrucs van bedrijven of de overheid te doorgronden, of risico’s van de balans juist in te schatten. Ik zou zeggen, we hebben behoefte aan veel meer en betere financiële specialisten, ook op het middenniveau, en in ieder geval veel, ja heel veel betere accountants. Went en Hueck zijn gelukkig ook genuanceerd in hun oordeel. Wat mij betreft is hun belangrijkste conclusie: “er is geen reden voor paniek”. 

04 december 2014

Sylvester Eijffinger: sport is geen economie

Het artikel van Sylvester Eijffinger over het verval van de economische wetenschap is een goudmijn voor dit blog. Al twee keer schreven we er over en we zijn nog maar bij de derde alinea van dit epos aanbeland. Deze derde alinea gaat, ondermeer, over ‘sporteconomie’. Sporteconomie als een aparte tak van de economische wetenschap is groot in de VS. Niet zo verwonderlijk, gezien de verknochtheid van Amerikanen aan sport en de miljarden dollars die er in de grote sporten daar omgaan. Colleges sporteconomie zijn standaard in het curriculum van sommige economische faculteiten en zijn soms razend populair. Eijffinger houdt niet zo van sport, behalve misschien van wielrennen, want hij schrijft: “Tegenwoordig houden sommige micro-economen en econometristen bij ons zich bezig met tennis- en voetbalscores, de statistieken bij de 100-meter-sprint of het gebruik van drugs. Men kan zich afvragen wat de toegevoegde waarde van dit soort onderzoek is." De lezer vraagt zich misschien iets anders af, namelijk wie deze heren (geen dames) bij “ons” zijn. Welnu, ik zal het hier maar verklappen, het zijn (schrijft u mee): Jan Magnus, John Einmahl, Jan van Ours en Martin van Tuijl. Doen ze inderdaad van die overbodige dingen? Een voorbeeld: de eerste twee heren werden acht jaar geleden even beroemd door hun uitspraak dat de 100 meter sprint in 9.29 kan worden gelopen. Ze deden die uitspraak met behulp van ingewikkelde statistiek. Aan de hand van prestaties van topatleten maakten ze een soort statistische verdeling van mogelijke tijden en keken in de ‘uitersten’ van die verdeling wat de snelst mogelijke tijden zijn. Dit is statistiek en geen economie, maar het zou misschien helpen als economen als Eijffinger ook eens wat beter naar de ‘uitersten’ van economische verschijnselen zouden kijken. Dan kunnen ze misschien wel de volgende crisis voorspellen. 

03 december 2014

Sunny Bergman (wit): zwart als roet II

Een jaar of tien geleden was ik samen met onderzoeksstudent Daniel Haile, afkomstig uit Eritrea, in Zuid Afrika om een onderzoek te doen naar de verhouding tussen de rassen aldaar. Wij deden daar eigenlijk het soort testjes dat Sunny Bergman in haar documentaire ook doet. Wij bekeken wie met wie wilde samenwerken. Onze verwachting was dat we als erfenis van het apartheidsbewind een grote raciale scheiding zouden vinden. Het pakte anders, of in ieder geval subtieler uit. Inkomensverschillen bleken een grote rol te spelen. Mensen met een laag inkomen (blank en zwart) bleken mensen met een hoog inkomen maar van het andere ras niet erg te vertrouwen. Zwarte mensen met een hoog inkomen hielden vooral zwarte mensen met een laag inkomen bij voorkeur op een grote afstand. Ras speelde uiteraard wel een rol in dit door rassenstrijd gekwelde land, maar machts- en dan vooral inkomensverschillen bleken minstens zo belangrijk. Het was helemaal niet zo zwart-wit als wij dachten. Hoe zit dat in Nederland? Niet zo subtiel als in Zuid Afrika als we Sunny Bergman mogen geloven, maar gewoon zwart-wit, ook al draaide ze op het eind “denk niet zwart-wit” van Frank Boeijen. Haar vader deed nog wel een poging toen Sunny haar vader vroeg of hij dacht dat wit zijn privileges voor hem met zich bracht. “Nee”, zei hij, “ik behoor gewoon niet tot de groep die de baantjes uitdeelt.” Is dat niet de kern van discriminatie? Kijk naar Zuid Afrika, de rijke zwarte elite deelt nu de baantjes uit en die wil daar geen kansloze zwarten bij hebben, alleen maar eigen soort. Ook in Nederland moet je tot de (schaduw?)elite behoren. Als we nog voor a.s. vrijdag Zwarte Piet verbieden, zal dat niet anders zijn. De Zwarte-Piet discussie is vruchteloos.

01 december 2014

Robin Fransman: lekker overspannen met pensioen?

Wat Robin Fransman precies is, is mij niet helemaal duidelijk, econoom politicoloog, publicist, belegger, wat al niet, maar actief is hij zeker en hij heeft geprononceerde meningen. Kloppen die meningen, dat wil zeggen, zijn ze logisch consistent? Zo ongeveer voor de helft, zou ik zeggen. Neem als voorbeeld, een stukje over sparen, afgelopen weekend in De Volkskrant. Nederland spaart te veel, beweert hij. Helemaal mee eens. Dat blijkt bijvoorbeeld uit ons gigantische overschot op de lopende rekening. Robin Fransman komt met de suggestie dat we in plaats van sparen beter kinderen kunnen krijgen. “Kinderen zijn de beste zekerheid voor een goed pensioen en goede zorg op oudere leeftijd,” schrijft Fransman. Helaas, mis! Waarom? Omdat dit advies 15-20 jaar geleden nog redelijk hout sneed, maar nu niet. De huidige generatie jong volwassenen is een relatief kleine generatie ten opzichte van de vorige generaties en als deze generatie dan ook nog veel kinderen zou ‘nemen’ is ze ook klein ten opzichte van de volgende generatie. Dat heeft voordelen voor deze generatie (als je met weinigen bent, ben je schaars en dus duur), maar ook nadelen: je moet voor twee relatief grote generaties zorgen, namelijk de oudere en de jongere generatie, en wel, als het aan Fransman ligt, vanaf nu tot ongeveer 2040. Dan begint het grut van de nu jong volwassenen eindelijk voor zichzelf te zorgen, en beginnen de ouders van de nu jong volwassenen eindelijk eens serieus dood te gaan. Kortom, meer (of veel) kinderen is voor de huidige jong volwassenen een garantie om overspannen te raken van de dubbele zorgtaak (plus de taak de nationale productie op peil te houden). Als ze hun pensioen al halen, dan in een staat van overspannenheid.